23-02-11

Beestjes op biodiesel

Landbouwers doen er goed aan om verder te kijken dan de klassieke producten als ze het rantsoen van hun dieren samenstellen. Zo blijken ook de restproducten van de bio-ethanol-industrie interessant als krachtvoer, want gunstig qua voederwaarde en competitief qua prijs-kwaliteit. Toch zijn er nog meerdere onzekerheden. De prijs kan evolueren en de kwaliteit en voederwaarde durft schommelen. Dat zegt Daniël De Brabander van de eenheid Dier van het ILVO (Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek).

 


De onderzoeksgroep van De Brabander bestudeert de verschillende bio-ethanol-bijproducten die recent op de markt verschijnen. Het aanbod is immers divers en de nood aan wetenschappelijke kennis groot. Op het ILVO loopt daarom een vierjarig wetenschappelijk project en op praktijkbedrijven worden demoproeven uitgevoerd.

Bijproducten uit de voedingsindustrie, zoals pulp uit de suikerfabrieken, draf uit de brouwerijen of maïsgluten uit de zetmeelindustrie zijn al jaar en dag gekend bij de boeren. Maar wat voor bijproducten levert de bio-ethanol-industrie precies?
Daniël De Brabander: Sinds een jaar of twee zien we een snelle ontwikkeling van de zogenaamde eerste-generatie-productie van bio-ethanol in ons land. In de Gentse haven haalt Alco Bio Fuel ethanol uit tarwe, vermengd met maïs, triticale of gerst. Na fermentatie van het graan verkrijgen ze naast bio-ethanol een soort draf en een ingedikt vloeibaar product (solubles). Beide producten die men dan respectievelijk ‘Protistar’ en ‘Protisyr’ noemt, kunnen als dusdanig als veevoeder dienen. Maar het overgrote deel wordt samengevoegd en gedroogd. Men spreekt dan wereldwijd van DDGS (dried distillers grains with solubles). Alco Bio Fuel gaf het de commerciële naam ‘Protifeed’.

lees meer

De commentaren zijn gesloten.