21-02-11

Hier spreekt men..

Vandaag is het moedertaaldag, uitgeroepen door UNESCO. Het belang van taal werd in het vorige artikel uitgediept. Dat dit geen ver van ons bedshow is, is de laatste maanden wel duidelijk. In ons land wordt er druk onderhandeld, bemiddeld en gedebateerd over twee taalgroepen in ons land. Dat dit al lang niet meer met de taal te maken heeft, hebben we ook al door.


 

Daarom gaan we vandaag iets dichter naar de kern van het probleem. Als er al een probleem is. Belgie is een drietalenland en daarin zijn we uniek in Europa, samen met Zwitserland. Dat is niet vanzelf gekomen, het was ook geen natuurlijke evolutie. Er is in ons land een wettelijke taaldwang. Dit geldt voor het bedrijfsleven, de politieke administratie, het bestuur, leger enzomeer. In de private sfeer is er taalvrijheid en als klein landje, is meertaligheid een must. Dit misschien meer in Vlaanderen dan in Wallonie, uit noodzaak. Frans staat hoger op de lijst van de wereldtalen dan Nederlands. 

Twee eeuwen taalbeleid in onze regio kan men samenvatten in twee korte zinnetjes:

  • aan Nederlandse kant: officieel gevraagde taaldwang en feitelijke private taalvrijheid.
  • aan Franse kant: officieel gepropageerde taalvrijheid en feitelijke private taaldwang.

Een van de redenen voor de Belgische revolutie in 1830 was een zekere Nederlandse taaldwang in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. In de Vlaamse provincies moesten de burgers in het Nederlands terecht kunnen en de autoriteiten moesten zich schikken. Als reactie werd in de Belgische grondwet de algemene taalvrijheid ingeschreven. In de praktijk was dat erchter niet het geval. Het was eerder een vrijheid van de autoriteiten naar de burgers toe, dan andersom. Het bestuur in Belgie werd helemaal verfransd. De rechters spraken Frans, het onderwijs was Frans, het gezag in de politiek, leger en politie, sprak Frans. Toen kwam de Vlaamse beweging in actie. Zij ijverden voor een taalwetgeving die ook het Nederlands als officiele taal zou opleggen. Dit was dus een taaldwang voor het openbaar gezag in Vlaanderen en Brussel.

In 1873 kwam de eerste taalwet. Dit kwam tot stand door een incident van de heer Schoep, die in Molenbeek de geboorte van zijn zoontje niet in het Frans wilde aangeven. Edward Coremans regelde toen de taalkwestie in de strafrechtspleging in Vlaanderen. Het nederlands wordt de hoofdtaal, hoewel pleidooien en strafvorderingen in het Frans mogen uitgesproken worden. In 1878 kwam de tweede taalwet. De wet De Laet is een wet naar de bestuurszaken toe. Deze wet was geldig in Vlaanderen en Brussel. Berichten van ambtenaren moeten voortaan in het Nederlands of tweetalig zijn. 1883 krijgen we de derde taalwet. Dit is gericht naar de middelbare scholen, daar werd integraal Frans gesproken. Vanaf de derde taalwet veranderde men dit. Talen moesten in het Nederlands gegeven worden, de wetenschappen in beide talen. Het was wachten tot 1898 tot de gelijkheidswet kwam. Nederlands en Frans komen op gelijke voet als officiele taal. Franstaligen zouden in het vervolg ook een wet moeten stemmen in het parlement, die in het Nederlands was opgesteld. Dat zorgde voor een probleem aan Franse zijde, niet in het Vlaamse gedeelte, aangezien deze generatie nog eentalig Frans onderwijs hadden genoten. De wet van gelijkheid kwam er toch, dit vooral door het algemeen meervoudig stemrecht. (algemeen meervoudig stemrecht: elke man in Belgie die belastingen betaalde of een bekwaamheidslicentie hadden, mochten stemmen. Hierdoor kwam het cijfer van de stemgerechtigden van 46.000 in 1830 tot 1.300.000 in 1893)

Deze wet zorgde voor taalvrijheid in heel het land, ook in Wallonie. De Vlaamse inwijkelingen die naar de Waalse mijnstreken kwamen om te werken, kregen in deze regio ook taalvrijheid. Het bestuur in Wallonie zou dus voortaan ook in het Nederlands moeten berechten. Men stelde daarom voor om de ambtenarij te scheiden en zo het Franstalig karakter van Wallonie te bewaren. Na de wet van de taalgelijkheid stelde men zich in Belgie de vraag of men een tweetalig land wilde worden of een land met twee taalgebieden. Men moet dus kiezen tussen twee principes: de burger kan zich tot de overheid wenden in de taal die hij verkiest, waar hij zich ook bevindt, hij kan overal terecht in het Frans of in het Nederlands, het tweetaligsysteem. Of men kiest voor het territorialiteitsbeginsel: naargelang in welke regio men is, gebruikt men de streektaal, deze streektaal wordt dan de bestuurstaal. En zo kwam men tot de vorming van taalgebieden.

In 1921 kozen ze in Wallonie voor het territorialiteitsbeginsel. Men bakent de taalgebieden af volgens het principe van de meerderheid van de bevolking, dit in 1932. In dat jaar beslist men ook om om de 10 jaar een talentelling te houden. Een gemeente kan dus om de tien jaar van taalgebied veranderen. Dit leidde tot een soepele territorialiteitsprincipe en het vormen van faciliteiten voor minderheden vanaf 30 %. In 1962 wordt dit systeem echter terug afgeschaft door de regering Eyskens. Voor de Vlamingen was dit een moeilijk probleem. Zij zagen dat Franstaligen zich niet aanpasten in gemeentes waar ze kwamen wonen en Frans bleven spreken, terwijl de Vlaamse uitwijkelingen naar Wallonie, gemakkelijker over gingen naar de streektaal, het Frans. Een aantal Nederlandstalige gemeenten verfransten zo.

Bij het afschaffen van het erritorialiteitsprincipe in 1962 kwam men tot het bij wet vastleggen van de taalgrens. Wijzingingen aan het taalstatuut kon dan enkel nog via wetswijzigingen. We kregen de strijd rond Voeren en Komen. Voeren ging naar Limburg en Komen, Moeskroen naar Henegouwen. Er werden vier taalgebieden opgericht: Nederlandse, Franse, Duitse en tweetaliggebied Brussel-hoofdstad. De faciliteitsgemeentes zijn gemeentes die in een ander taalgebied liggen, maar een grote minderheid anderstaligen hebben. Dit systeem van faciliteitsgemeentes zorgden voor een crisis en veel onenigheid.

Twee eeuwen taalbeleid in onze regio kan men samenvatten in twee korte zinnetjes:

  • aan Nederlandse kant: officieel gevraagde taaldwang en feitelijke private taalvrijheid.
  • aan Franse kant: officieel gepropageerde taalvrijheid en feitelijke private taaldwang.

Zo zien we het ontstaan van een surrealistisch taalgebruik in België. Als u een trein neemt naar Charleroi, vanuit Antwerpen, krijgt u eerst de booschappen omgeroepen in het Nederlands, daarna in het Nederlands en het Frans en een paar kilometer verder, enkel in het Frans. U ziet dat de moedertaaldag van UNESCO ook voor ons land een belangrijke dag was. Het echte Belgische dualisme, waarin we ons vinden als Belg en waarin we ons scheiden als Belgzijnde. De surrealiteit ten top: 'La langue België, ceci n'est pas een taal.'

bron: wikipedia.com

 

De commentaren zijn gesloten.