09-01-11

Remco Campert

De Gouden Ganzenveer 2011 is toegekend aan schrijver, columnist en dichter Remco Campert. Dat heeft de Academie de Gouden Ganzenveer bekendgemaakt. Het is al de tiende keer dat de prijs wordt uitgereikt, die bestaat uit een gouden ganzenveer en een jaar lidmaatschap van de Academie. Campert zal zijn prijs op 7 april overhandigd krijgen.

Campert heeft een carrière van zowat 60 jaar achter de rug staat bekend om boeken als 'Het leven is vurrukkulluk', 'Tjeempie!' en 'Liesje in luiletterland'. Andere boeken vonden hun weg naar het grote witte doek ('Het gangstermeisje' of 'Alle dagen feest').

Veelzijdig en bedrieglijk eenvoudig
Volgens de Academie verdient de 81-jarige schrijver de prijs "om zijn veelzijdigheid als auteur, de lichtheid van de toon van zijn werk en zijn vermogen om zijn denk- en verhaallijnen bedrieglijk eenvoudig zo vorm te geven, dat ze voor een breed publiek toegankelijk blijven". Ook het feit dat de jongere generaties zijn werk nog steeds waarderen, is een belangrijke factor.

Geschreven woord

De Gouden Ganzenveer gaat elk jaar naar een persoon of instituut die veel heeft betekend voor het geschreven en gedrukte woord in Nederland. De leden van de Academie zijn afkomstig uit de wereld van cultuur, wetenschap, politiek en het bedrijfsleven.
 
Het was dit jaar de tiende keer dat de prijs werd toegekend. Eerdere winnaars zijn onder anderen Joke van Leeuwen, Adriaan van Dis, Joost Zwagerman en Tom Lanoye.

Campert debuteerde in de jaren vijftig. Hij wordt tot de ‘Vijftigers’ gerekend. De Vijftigers schreven vooral experimentele poëzie. Campert onderscheidde zich in zijn experimentele poëzie door zijn makkelijk leesbaarheid van zijn gedichten. Een aantal kenmerken van experimentele poëzie zijn:

 Geen rijm en metrum
 Onregelmatige strofenbouw
 Ontregeling van de grammatica
 Nauwelijks interpunctie
 Neologismen
 Vreemde woordencombinaties en alliteraties
 Door middel van vreemde beeldspraken wordt een sfeer opgeroepen
 Spelen met de taal

Bij Campert vinden we deze kenmerken ook terug. Zijn woordgebruik is echter veel makkelijker. In de bundel Met man en muis vinden we een fragment uit een gedicht waarin hij dit zelf duidelijk maakt.

Ik wil wel…

Ik wil wel graven
Naar poëzie, maar niet
Te diep. Je weet
Hoe ik dichter ben
Bij de gratie van
Aardoppervlak


We zien in dit fragment verder ook enkele kenmerken van de Vijftigers terug. Vooral het ontbreken van rijm en metrum is hier duidelijk. Bij Campert wordt de grammatica nauwelijks ontregeld en zijn beeldspraken zijn vaak minder moeilijk. Hierdoor kregen zijn gedichten een spreektaalachtige stijl: parlando-poëzie. Toch had hij in de tijd dat hij debuteerde, kritiek op Criterium, een blad waarin vooral veel parlando-poëzie verscheen.

In de proza van Campert vinden we ook kenmerken van de Vijftigers terug. Hij schreef namelijk enkele romans waarin met de taal geëxperimenteerd wordt. In het boek Het leven is vurrukkulluk  en Tjeempie vinden we verder een vreemde spelling van woorden, waardoor woordgrapjes ontstaan. Enkele voorbeelden zijn: Marry-you-Anna, saai-jans-fiction en viesziek plezier. Uit vurrukkulluk:


‘Als jij kunst zo’n onzin vindt, dan vraag ik me af waarom je in godsnaam schildert.’
‘Ik schilder niet in godsnaam.’


‘Kunst is het mooiste dat er is, als je dat maar weet,en als jij kunst zo’n onzin vindt, dan kun je beter ophouden met schilderen.’
‘Kunst is onzin.’



. . . . . . .
‘Je zou kunnen zeggen dat de stichting de belangen behartigt.’
‘Welke belangen?’
‘De belangen van de stichting.’


De schrijver schetst slechts flarden van de avond. Hierdoor roept hij nog meer de sfeer van een feest op. Dit is een duidelijk kenmerk van de Vijftigers, namelijk door middel van beelden proberen een sfeer op te roepen.

In de jaren zestig heeft Campert nog een tijdje tot de poëziestroming neorealisme behoord. Zij schreven teksten die niet te moeilijk waren voor de lezer. Vooral in deze stroming paste zijn centrale thema erg goed. Hij heeft in die tijd ook meegewerkt aan de verschijning van het tijdschrift Barbarber. In zijn werk zien we dat hij gebruik blijft maken van de techniek van associëren en improviseren. Deze techniek heeft hij waarschijnlijk ontleend aan de jazzmuziek, die hij sinds zijn jeugd adoreert. De sfeer die door alle verschillende associaties wordt opgeroepen is belangrijker dan de inhoud.

Het centrale thema in het complete werk van Campert is de tegenstelling tussen het idealistische dromen en de harde realiteit. In zijn eerste gedicht uit de bundel Vogels vliegen toch zien we dit centrale thema duidelijk terugkeren.

Credo

ik geloof in een rivier
die stroomt van zee naar de bergen
ik vraag van poëzie niet meer
dan die rivier in kaart te brengen

ik wil geen water uit de rotsen slaan
maar ik wil water naar de rotsen dragen
droge zwarte rots
wordt blauwe waterrots

maar de kranten willen het anders
willen droog en zwart van koppen staan
werpen dammen op en dwingen
rechtsomkeert


In de eerste en tweede strofe vinden we de dromen van de idealist. In de derde strofe wordt echter duidelijk dat er aan de harde realiteit niet te ontsnappen valt. In zijn prozawerk zijn ook talloze voorbeelden te vinden van dromers die in de harde realiteit staan. Zijn stijl is in zijn poëzie en proza hetzelfde. Zijn makkelijke woordkeus en toegankelijke gedichten zijn goed te vergelijken met zijn boeken waarin hij vaak erg luchtig en ironisch een tijdsbeeld of situaties beschrijft. In zijn poëzie vinden we nog wel eens engagement,  in zijn proza ontbreekt dit echter. Wel neemt hij in zijn proza vaak mensen of nieuwe verschijnselen op de korrel. Voorbeelden hiervan zijn de moderne schrijvers in Tjeempie! en het imiteren van een soort soap in De Harm en Miepje Kurk story.

De commentaren zijn gesloten.