08-12-10

Congo gaat naar school

In de loop der jaren heeft de Congolese staat zich in ieder geval financieel uit de
onderwijssector teruggetrokken: terwijl de staat in 1982 nog 160 dollar per leerling
investeerde, was dat in 2002 nog slechts een luttele 4 dollar. De lonen van het
overheidspersoneel waren al in vrije val sinds het einde van de zaïrisering, maar onder
druk van de Structurele Aanpassingsprogramma’s daalde het loon van de leraars nog
verder in de eerste helft van de jaren 1980, van 68 dollar per maand in 1982 tot 27 dollar
in 1987. Het onderwijzersbestand werd in die periode ook gevoelig afgeslankt. Door het
verdere afbrokkelen van de staat bereikte het lerarenloon in 2002 een absoluut
minimum van 12,90 dollar6 – met andere woorden: veel minder dan de internationale
armoedegrens van één dollar per dag.
Ondanks het bijna totaal wegvallen van de staatsfinanciering bleef de sector wel
functioneren: voor zover de schaarse gegevens betrouwbaar zijn, daalde het aantal
leerlingen niet in de schrale jaren 1980 en 1990 en steeg het spectaculair sinds 2002.
Tussen 1987 en 2007 verdubbelde het aantal leerlingen. De scholingsgraad ligt nu hoger
dan in de rest van zwart Afrika7. Hoe valt die ogenschijnlijke paradox te verklaren?


De onderwijssector weerspiegelt een lange geschiedenis van samenwerking tussen
staats- en niet-staatsactoren. In Congo beheert de staat op rechtstreekse wijze slechts
15% van alle publieke scholen (privéscholen bestaan ook, maar blijven vrij beperkt, met
circa 10% van de leerlingen, voornamelijk in de grote steden Kinshasa en Lubumbashi).
Sinds decennia wordt het openbaar onderwijs voornamelijk aangeboden door
geconventioneerde kerkelijke netwerken, die worden erkend en – in theorie –
ondersteund door de staat. Die kerken zijn de uitvoerende organisaties die de scholen
beheren, maar de staat blijft – althans op papier – de sector organiseren. Dit systeem
past in het kader van een zeer lange koloniale en postkoloniale traditie, die deels
uiteraard de organisatie van de onderwijssector in moederland België weerspiegelt.
In de praktijk houdt de Congolese staat nog altijd heel sterk vast aan zijn
overkoepelende rol, maar draagt hij slechts in heel beperkte mate bij tot de werkelijke
financiering van het onderwijs. Het is echter niet zo dat de kerken veel
werkingsmiddelen beschikbaar kunnen stellen om die terugval van de staat te
compenseren. De werking van het Congolese onderwijssysteem wordt bijna volledig
gedragen door financiële bijdragen van de ouders van leerlingen. Dat is de redding
geweest van het onderwijssysteem in Congo – en dat is het nog altijd. Ouders van
leerlingen dragen financieel zeer sterk bij (in sommige gevallen leveren zij zelfs het
grootste deel van de bijdrage) aan het functioneren van zowel privé- als openbare
scholen, inclusief een deel van de lonen van de leerkrachten.
Ouders betalen ook voor het bureaucratische apparaat
Wat het systeem vrij uniek maakt, is dat ouders niet enkel bijdragen tot de
financiering van de scholen zelf maar ook tot het functioneren van het hele
bureaucratische apparaat van het onderwijs. Via een complex retributiesysteem worden
de geldelijke bijdragen van de ouders verdeeld tussen de vele administratieve eenheden
die de onderwijssector omvat, zoals inspectiediensten, provinciale kantoren van de
loonadministratie, inclusief de administratie van de kerkelijke netwerken zelf. Een
percentje van het schoolgeld van elk kind stroomt zelfs door tot op het hoogste
administratieve niveau van het onderwijs, het nationale ministerie van onderwijs zelf.
In dat opzicht combineert de onderwijssector zowel een onderwijsfunctie als een
belastingfunctie.
Uiteraard leidt dit systeem tot heel wat spanningen. De meest zichtbare spanning is
die tussen schooldirecties en betalende ouders: die laatsten moeten een grote (en vooraf
moeilijk voorspelbare) hoeveelheid schoolgeld betalen en richten hun frustratie hierover
vooral op de schooldirectie. Maar dat conflict is slechts een weerspiegeling van
verschillende onderliggende (of beter: bovenliggende) conflicten. Schooldirecteuren die
zeer autonoom lijken, moeten complexe strategieën hanteren om hun school te runnen
en de verschillende financiële stromen die langs hen heen stromen te beheren. Aan de
ene kant voelen zij de druk van de betalende ouders die graag minder zouden betalen
en aan de andere kant is er de druk van de leerkrachten die de betaling eisen van hun
‘primes de motivation’, die hun ruim ontoereikende of in sommige gevallen onbestaande
staatsloon moeten aanvullen. Daarenboven zitten schooldirecteurs enerzijds geprangd
tussen hun bezorgdheid om de levensvatbaarheid van hun eigen school en anderzijds
de druk die systematisch op hen wordt uitgeoefend door de verschillende bureaucratische

niveaus (zowel van de staat als van de kerk) in de onderwijssector. Die eisen een deel van het schoolgeld op (vastgelegd in percentages) om hun werking tefinancieren en spelen een rol in het benoemen of verplaatsen van onderwijzend personeel.

Dit mechanisme van betaling van schoolgeld door de ouders en de ventilatie ervan
naar alle niveaus van de hele onderwijssector zit sterk ingebakken in het huidige
systeem. Hoewel er jaarlijks protest is van leerkrachten die hogere lonen van de staat
eisen en van ouders die minder willen betalen voor het openbaar onderwijs, houdt het
systeem stand en is het ook ooit op vraag van de ouders ontstaan, om – ondanks de in
gebreke blijvende overheid – toch onderwijs te kunnen verzekeren voor hun kinderen.

Na decennia van conflict en (nog steeds voortdurend) geweld bevindt de Democratische Republiek Congo (DRC) zich sinds 2002 officieel in een periode van zogenaamde ‘postconflictwederopbouw’.

In 2002 werd in Sun City in Zuid-Afrika een vredesakkoord ondertekend, waarna in juni 2003 een regering van nationale eenheid werd gevormd. Een nieuwe grondwet werd opgesteld en in 2006 door de bevolking goedgekeurd, waardoor de weg open lag voor ‘de eerste democratische verkiezingen sinds de onafhankelijkheid’ (einde 2006).

Maar hebben deze akkoorden en wetten ook effectief geleid tot verandering? Is de heropbouw van de staat ook merkbaar in het straatbeeld?

Tom De Herdt, Kristof Titeca en Inge Wagemakers werken bij het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en -beheer (IOB) van de Universiteit Antwerpen. Gedurende twee jaar deden zij onderzoek naar de rol van de staat bij de wederopbouw van Congo. Dit rapport werd gesynthetiseerd in een overzichtelijke MO*paper: "Heeft Congo kans van slagen?"

16:39 Gepost door De Redactie in actualiteit, cultuur, samenleving | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.